Menu

Buurtverhalen

Hieronder staan alle verhalen of blogs die je buurtgenoten op de site plaatsten. Ze zijn blij met jouw reactie!

Pagina's (1): 1
Titel Omschrijving
Fantastisch leuke dag gehad met de "meisjes" uit Oosterhuizen. Damestrekkertocht, 40 km rond touren door de prachtige omgeving. Ongelovelijk mooi weer hadden we.... genoten! Organisatie bedankt ! en bedankt voor de gezelligheid! Volgend jaar weer!
Op vrijdag en zaterdag 3 en 4 juni zijn er overal in Gelderland bedrijven die hun deuren openen onder het motto Gemaakt in Gelderland. In Lieren vindt je een ambachtelijk bedrijf wat ook haar deuren opent op Molenberg 1. Koffie branders Ivo en Yvonne van der Putten van www.ongebrand.nl laten het brand proces zien en er kan koffie en thee geproefd worden. Met onderstaand verhaal wil ik inhaken of het thema Gemaakt in Gelderland of liever gezegd 'Gemaakt op Molenberg 1'. Een stukje historie tussen de 70 en 75 jaar terug tijdens de oorlogsjaren. Vorig jaar bij de expositie in de Zwitsal fabriek, onder het thema Gemaakt in Apeldoorn is al het maakwerk waar onderstaand verhaal over gaat te zien geweest. Mij is toen gevraagd een verhaal te schrijven voor in het tijdschrift van de Vereniging Oud Apeldoorn en dit lijkt me een mooie gelegenheid om dit verhaal met de inwoners van Lieren en Oosterhuizen te delen. Hierbij het verhaal van de schat van mijn Tante Gerrie. Al vele jaren heb ik een ware schat op zolder staan. Nee geen kist met fonkelende edelstenen of goud en zilver maar een paar dozen met zorgvuldig bewaarde werkstukjes uit de opleiding voor lerares Modevakschool en de akte van bekwaamheid voor huis en schoolonderwijs in de nuttige Handwerken. De werkstukken dateren uit de laatste oorlogsjaren en net daarna en er werd examen gedaan op 5 augustus 1947. Als je de werkstukjes goed bekijkt dan kom je tot de conclusie dat ze een schat aan informatie bij zich dragen. Vaak dacht ik dit kan ik niet zomaar ongemoeid laten liggen, maar ja hoe laat je nu anderen van dit mooie werk meegenieten. Tot er in januari dit jaar bij de nieuwjaarsreceptie van de VOA (Vereniging Oud Apeldoorn) een oproep kwam of je zelf iets had of iemand wist die een bijdrage had voor de tentoonstelling Gemaakt in Apeldoorn. Twijfelend begon ik toen te denken over de werkstukjes van mijn tante, want ja het gaat over de werkstukjes van mijn tante Gerrie Hartgers. Een tentoonstelling is een prachtige mogelijkheid om vele anderen mee te laten genieten van al dit moois. Toen ik de verzekering kreeg dat de spullen in een gesloten vitrine kwamen te liggen was ik over de streep want het is niet iets wat je maar zo open en bloot neer kunt leggen en even in de handen kunt nemen. Voor de niet al te jeugdige dames zal het een beeld van herkenning zijn en zullen met verrukte blik kijken hoe mooi en fijntjes de werkjes zijn gemaakt. Anderen denken misschien met verschrikking aan de momenten dat ze zelf hebben zitten prutsen tijdens de handwerk les. Gerrie is in 1920 geboren in Lieren als vierde dochter in het gezin Hartgers op Molenberg 1. Gezien haar fijne postuur leek ze niet bestemd voor het grove boerinnenwerk en zo begon ze haar opleiding. Als je je voorstelt dat juist in de oorlogsjaren niets voor handen was dan is het op zich al verwonderlijk hoe ze aan haar materialen kwam. De stoffen die ze gebruikte waren getornd uit oude kleding wat ook al haast niet voor te stellen is want in de oorlog werd een kledingstuk al tot op de draad versleten. Na het behalen van haar diploma heeft Gerrie nooit voor de klas gestaan of een eigen modevakschool gehad maar ze is gaan werken bij Het Hoogeland in Beekbergen op de naaikamer. Samen met haar oudere zus Reintje Berghuis-Hartgers (die jong weduwe was) en Coba Jansen verstelde ze kleding zoals het keren van kragen en manchetten, ondergoed verstellen, knopen aannaaien en nog veel meer uitstuk en reparatie werk. Op de linker foto: links Gerrie, rechts Reintje. Op de rechter foto: links Reintje en rechts Gerrie. De foto is genomen bij de naaikamer, dit was een houten gebouwtje aan de van Limburg Stirumweg. Bij het openen van de dozen was het eerst wat me opviel dat er een doos van het Mantelhuis aan de Asselschestraat bij zat. Om de motten geen kans te geven waren er tabaksbladeren tussen de werkstukken gelegd. Ook al zo opmerkelijk want tabak was iets waar je niet aan kom komen. Deze bladeren waren zeer waarschijnlijk van eigen teelt. Om te beginnen zat er een merklap in, iets wat vroeger elk meisje leerde maken. Dan zaten er nadenlappen en uitstuklappen in en natuurlijk ook een maaslap, want dat was ook een vast onderdeel bij de handwerk les. Maar dan begint het al moeilijker te worden zoals het inbreien van stukken in gebreide kleding waar een gat in zat en vervolgens zitten er lapjes bij met zeer fijn stopwerk en blind stoppen. Als je ze bekijkt kun je geen fout steekje ontdekken. Het werk is zo fijn dat je er haast een loep bij nodig hebt. Brei opdrachten bestonden uit alleen een bepaald onderdeel van de kous, zoals een been met de ronding van de kuit, een hiel of alleen de teen van een kous. vlnr. proefstuk van de kuit, verschillende soorten hieltjes, de teen van de kous en de kous helemaal Ook de katoenen lapjes met randjes van ajour, frivolité en fijn haakwerk zijn leerzaam, dit soort afwerking werd gebruikt om zakdoeken of kraagjes mee af te werken. Voor het diploma costumière maakte ze ook losse onderdelen van een bepaald kleding stuk op schaal. Zoals de hals van een jurk en, omdat in die tijd nog veel schorten werden gedragen, gedeeltes van een schort met gerimpelde randjes en geborduurde versieringen. Andere onderdelen zijn van het aanzetten van een mouw, de manchet van een blouse mouw met verschillende split oefeningen, een kort gerimpeld pof mouwtje, een directoire met verschillende klep mogelijkheden en pijpen met een gerimpeld boordje. Zelfs het uitstukken van het kruis werd meteen geoefend. En natuurlijk werden verschillende knoopsgaten geoefend, met de hand natuurlijk, heel secuur en fijntjes en geen steekje verkeerd. Weer een stap verder wordt de afwerking van halzen, mouwen, zakjes en plooien versierd met borduurwerk. Voor de geoefende naaisters onder ons is de achterkant vaak nog interessanter dan de voorkant. Weer een stap verder in haar opleiding werd er een oefenlap gemaakt met opengewerkte randen, bedoeld als afwerking van een hals of decolleté van een blouse of japon. Mensen die de vitrine bij de tentoonstelling hebben bekeken, hebben gezien dat er ook een paar japonnen op schaal in hangen. Het is haast niet te beschrijven hoeveel details er in verwerkt zitten. En dan, wat mij betreft, het neusje van de zalm: de mantels! Ja natuurlijk werd er weer eerst een zakkenlap gemaakt. Hier heeft ze 5 verschillende mantel zakken geoefend, wat toch weer een speciale techniek vereist. En als ze dat onder de knie heeft mag ze de mantel maken, alhoewel …… eerst moet hij voor proef uit een oud laken of andere katoenen lap, en dan pas 'in het echt'. (ik vertelde al van de getornde lapjes) Natuurlijk alles weer op ¼ schaal. Je vergaapt je werkelijk aan hoe alles in miniatuur zo nauwkeurig en precies is afgewerkt, zelfs de voering en het ophanglusje is niet vergeten. Bij elke opleiding hoort natuurlijk ook een theoretische kant en ook dat is allemaal bewaard gebleven. Van het tekenen van patronen tot het breien van een hiel of teen. Tegenwoordig hebben prachtige machines die alles kunnen naaien maar in haar tijd had ze enkel een hand naaimachine en afwerken gebeurde met de hand. Het is jammer dat het beroep 'naaister' zo'n negatief imago heeft en nog steeds wordt ondergewaardeerd, want dit is een vakopleiding van de bovenste plank. Wellicht kwam dit imago voort uit de gedachte dat naaisters vaak ongetrouwde vrouwen waren en fysiek niet tot zwaar werk in staat waren. Wat dat betreft paste Gerrie wel in dat plaatje want ze bleef ongetrouwd. Ze was een familie mens en genoot van haar neven en nichten. Het was dan ook altijd feest als tante Gerrie kwam want ze had altijd wel wat lekkers bij zich en ging leuke dingen met ons doen. Jaren woonde ze bij haar zus en zwager, Toos en Bertus Brink, op Hietveldweg 28 hoek van Schaffelaarweg in Beekbergen. Op oudejaarsdag 1986 overleed ze. Als nichten en neven hebben we veel van haar genoten maar voor deze keer mag heel Apeldoorn en alle dorpen die er bij horen genieten van haar staaltje vakmanschap. Dank u wel tante Gerrie. Geschreven door haar nichtje Willy Rouwenhorst-Hartgers. Naschrift: Blijkbaar heeft dit verhaal veel losgemaakt en zo is mij onlangs ter ore gekomen dat Gerrie wel degelijk les heeft gegeven. Ze heeft les gegeven op de naaischool in Samuel aan de Brinkenweg in het Hooiland er is zelfs nog een foto tevoorschijn gekomen van het uitstapje van de naaischool naar de Postbank.
Lijden inspireerde schrijfster Wilma Vermaat. De Wilmalaan in Oosterhuizen is genoemd naar schrijfster Wilma Vermaat. Haar huis op nummer 5 is een gemeentelijk monument. Uit haar schrijfhut keek ze over het weidse land met 'de drie torens' die van de kerk in Beekbergen, de kapel van het kleinseminarie en van de kerk in Lieren; het werd de titel van één van haar vele boeken. Wilma woonde met twee jongere zussen vanaf de jaren twintig van de vorige eeuw in Oosterhuizen, waar ze haar huis Neumshutte had laten bouwen. De smalle breekbare vrouw, maar met een enorme geestkracht die gevoed werd door haar religieuze beleving en haar betrokkenheid bij haar medemensen, zoals iemand haar eens heeft beschreven, bleef schrijven tot aan haar dood, in 1967. Ze stierf bij een nicht in Blaricum, waar ze de laatste jaren van haar leven doorbracht. Wilma is begraven in Beekbergen. Wilma, geboren in 1873 in Zetten, en haar zusjes groeiden op in de Betuwe. Een gouvernante onderwees hen; ze las de meisjes voor uit het 'martelarenboek', zo vertelt J. Haantjes in een boekje over de schrijfster, verschenen in 1931. In zo'n martelarenboek staan de namen van mensen die de bereidheid hebben geuit om als martelaar te sterven en daadwerkelijk als geloofsgetuige zijn gesneuveld. Toen Wilma elf was, stierf haar moeder. Samen met hun in zichzelf gekeerde vader die altijd las of studeerde en van het gezin was vervreemd, verhuisden de drie zusjes naar Apeldoorn. daar ging Wilma op haar dertiende naar de kweekschool, waarna ze korte tijd in Apeldoorn les gaf. Rond haar twintigste raakte ze in een crisis, psychisch en lichamelijk. In 1950 schreef ze hierover: 'Waar het allen vandaan komt, weet ik niet, maar dit is zeker, wat ik schrijf heeft te maken met de lange ziektejaren van vroeger en met het leven zoals het daarna tot mij kwam, met al de droefheid en al het lijden dat er in de wereld is.' Pas op haar drieëndertigste was haar ziekte voorbij. In Oosterhuizen kwam ze tot rust en begon ze te schrijven, in haar hut, op de hoge stuifheuvel aan de noordkant van de Neumshutte. De stilte van toen is verjaagd door de A50. Haar huis, in 1924/1925 gebouwd in de cottagestijl, lijkt op de hallehuisboerderijen die je in de omgeving tegenkomt. In de voorkamer herkende je de invloeden van de Amsterdamse school, die in die jaren populair was, aan de haardpartij, de deuren, de houten wantconsole voor een beeldje en de lambrisering met dekstukken. Haar werkhut, bouwvallig geworden in de loop der jaren, is afgebroken, er staat nu een nieuwe en grotere. Het huis is in 1975 vergroot met een ruime woonkamer. Ruim veertig jaar heeft Wilma geschreven, geïnspireerd door evangelische stromingen. Het centrale, steeds terugkerende thema in haar werk was 'het pijnlijk raadsel van het lijden'. De vraag die haar bezighield was, waarom mensen soms zo gekweld worden door ziekte, gebrek, seksuele, maatschappelijke of psychische nood. Haar roman 'Gods gevangene' uit 1923, vertelt het verhaal van een homoseksuele onderwijzer in een klein dorp die als een melaatse wordt behandeld en in een diep innerlijk conflict geraakt. Maar hij is toch een uitverkorene van God, voorbestemd voor een hogere, platonische zuivere liefde. maar dat ging critici te ver: 'Een monsterproduct' , schreef een recensent, anderen veroordeelden het boek even scherp: gifgas, een zeer onzedelijk boekje, weerzinwekkend, een smoezelig gedoe. Wilma's meer dan veertig romans en novellen staan in de bibliotheek Apeldoorn, die de collectie permanent in bruikleen heeft. Jammer dat het huis Neumshutte aan de Wilmalaan 5 momenteel weer wat bouwvallig aan het worden is.
beste allemaal, Wie weet wie er op de buurtkalender staan, maand februari? Het is een mooie oude foto maar wie zijn het, waar is het en wat zijn ze aan het doen? Hoor het graag. Groet Willem capel
Straatsgewijs. Het Pompje in Oosterhuizen. Pomp en plomp hebben de betekenis van moerassig land. In de plomp zakken. In het Oost-Veluws dialect is een ,,pompe'' echter een kleine duiker, waardoor het water onder de weg door loopt. Wanneer water met kracht door een duiker wordt geperst ontstaat een zelfde geluid als bij het pompen. Met een soort schokeffect gulpt het water er door en dit klokkend geluid gaf de naam aan een kleine duiker en de straatnaam ,,Het Pompje''
Een van de doorgaande wegen in ons kleine dorpje Oosterhuizen is de Molenberg. Deze weg is genoemd naar de windmolen die hier in 1912 werd gebouwd. De molen stond aan de voet van de Molenberg. Slechts een jaar of vijftien heeft de molen dienst gedaan, toen werd hij buiten werking gesteld. In het begin van de dertiger jaren werd de molen weer afgebroken. In het begin van de vorige eeuw kwam de jonge molenaarszoon Van Twillert met zijn jonge vrouw Hermijntje Nel vanuit het Utrechtse Bunschoten naar deze omgeving om er een eigen molenaarsbestaan op te bouwen. Ze hadden twee kinderen: Piet en Harm. Harm zou later predikant worden. Bort van Twillert kocht een klein boerenbedrijfje met graanhandel van Reinder van Amersfoort, gelegen aan (wat men noemde) de Middelste (kerk) weg. Een molen om het gekochte graan te malen was er niet. De jonge Bort zinde dit niet en nam toen het besluit om een windmolen te laten bouwen. Het was geen nieuwe molen. Van Twillert kocht een bestaande molen in Groningen, liet hem daar afbreken en in Oosterhuizen weer opbouwen. De onderdelen werden per schip aangevoerd. Het schip lag op de losplaats bij het Apeldoorns Kanaal bij de Woudbrug. Van hieruit werd alles versleept naar de Molenberg. Het opbouwen was een groot karwei. Van Twillert liet een paar molenbouwers overkomen om de klus te klaren. Met takels moesten de opbouwers (zie foto) de molen opbouwen. De opbouw gebeurde in 1912. helaas was de molen op deze plek geen lang leven beschoren. De nieuwe molenaar had de tijd niet mee. Vaak gebeurde het dat er geen wind was en er niet gemalen kon worden. Bovendien had hij de concurrentie van de watermolens. Die konden door de regelmatige aanvoer van water altijd malen. De molenaar wilde meer malen en kocht daarom een stoommachine en liet in de molen een dubbele maalstoel bouwen, zodat er altijd en sneller kon worden gemalen. Het onderhoud van de molen koste veel geld en de omzet steeg niet naar wens. In 1927 zag Van Twillert zich genoodzaakt om de molen voorgoed stil te zetten. Enkele jaren later werd hij geheel gesloopt. Herman Testerink, een los werkman, verrichtte de sloopwerkzaamheden. In het begin van de jaren twintig kregen veel wegen een andere naam. Zo werd de Middelste weg omgedoopt in Molenberg. De molen en de naburige heuvel werd in de naam opgenomen. Ook andere wegen in de omgeving herinneren aan diverse watermolens die hier hebben gestaan.
Pagina's (1): 1