Menu

X Omdat je bent ingelogd zie je op deze pagina de berichten uit al je groepen. Alleen jij ziet deze informatie.

Buurtverhalen

Hieronder staan alle verhalen of blogs die je buurtgenoten op de site plaatsten. Ze zijn blij met jouw reactie!

Pagina's (1): 1
Titel Omschrijving
Het volgende verhaal over de jaren op de lagere school in Oosterhuizen net na de oorlog heb ik in de loop der jaren wel vaker gehoord. Maar ik heb het mijn moeder Hanna Reuvekamp, toen nog Hanna Wilbrink nog een keer laten vertellen om het op te kunnen schrijven. Zij woonde in die tijd aan Het Oude Veen 10, waar ze geboren is.Op de foto zit zij in het midden met de strik in haar haar. Rechts staat meester Munster. Op de achtergrond links Het Oude Veen 14, midden Het Oude Veen 10 en rechts de weg die naast het schoolplein liep. Ik zat bij meester Munster in het klaslokaal. De meester kon het niet aan. Hij had zeker dingen waar hij goed in was, want het lied dat nog elk jaar met de herdenking van de bevrijding gezongen wordt is door hem geschreven. Hij maakte een tekst, de 17e april, op het Engelse volkslied, dat was de bevrijdingsdag. Maar orde houden in de klas met die oudere jongens dat kon hij niet.In de schoolbanken zat je met zijn tweeën en midden op de tafel was een inktpotje met een schuifdekseltje. We schreven toen met een kroontjespen en dan stipte je elke keer in het inktpotje voor iets inkt om te kunnen schrijven. In ons klaslokaal zat Aaldert Beltman. Hij was 2 jaar of misschien wel 3 jaar ouder dan ik en hij zat een klas hoger. Het schooljaar ging toen van 1 april tot 1 april en ik was dus één van de jongsten van de klas omdat ik van 1 maart ben. Als hij één van de oudsten van de klas was en misschien een keer was blijven zitten dan kon hij dus bijna 3 jaar ouder zijn. Aaldert deed een keer carbid inde inktpot en deed de deksel dicht. Toen hij het dekseltje weer open deed spoot de inkt in het rond en zelfs tegen het plafond aan.Hij heeft toen vast een streepje achter zijn naam gekregen. Als je iets deed wat niet mocht dan kreeg je een streepje achter je naam en voor elke streep moest je 10 minuten nablijven. Dat was als je een keer praatte of iets liet vallen. Soms waren er kinderen die een uur moesten blijven.Eén van de keren dat Aaldert moest nablijven glipte hij de klas uit en ging hij er toch vandoor. Snel pakte hij de klompen die in de gang op een rij stonden onder de kapstok. Hij liep richting de weg die er niet meer is naast het schoolplein naar de Achterste Kerkweg. De meester ging achter hem aan en had hem bijna te pakken. Toen liet Aaldert zich vallen en viel de meester languit over hem heen en kon hij er vandoor.Op de hoek van het schoolplein waar nu de nieuwe school staat was een grote vijver. In het midden van die vijver was een eiland. De jongens sprongen daar met een polsstok naar toe. De meester kon daar niet bij je komen en stond vaak aan de kant te schreeuwen “kom van dat eiland”. Dat deden ze uiteindelijk wel, maar ze lieten de meester wel wachten tot het einde van het speelkwartier.Eén van de andere jongens uit ons klaslokaal was Reinder Bosch. Ik weet niet meer zeker of hij bij mij in de klas zat of een klas hoger, dat zou ook kunnen. Hij was één van de twee pleegkinderen in huis bij Kranenburg. De hele naam is Klein Kranenburg, maar iedereen kent hen als Kranenburg. In die tijd woonden er een oma, vader en moeder, 2 kinderen en 2 pleegkinderen in huis. Ze woonden aan de Molenberg en daar heeft de familie nog jaren gewoond. Nu woont daar de familie Wilbrink.Met potdeksels trommels en pannen liepen we soms door de straat en dan speelden we oorlog voeren. Dat was dus een paar jaar nadat de Duitsers vertrokken waren. Een groep liep dan onder leiding van Reinder bijvoorbeeld op de Achterste Kerkweg en een andere groep op Het Oude Veen. In die tijd was er nog een weg tussendoor net naast het schoolplein en was alles nog kaal, je kon elkaar dus zien. Iemand schreeuwde er dan “aanvallen”. Dan vlogen we allemaal naar elkaar toe en moest er uitgevochten worden wie de sterkste was.In de klas bij meester Munster kreeg Reinder altijd een stomp boven op de arm. Hij zat in de bank achter mij en hij had al eens gezegd “dat zal ik hem wel afleren”. Dat deed hij ook op een zekere dag. Hij had in een deksel van een sigarenkistje allemaal klompenspijkertjes geslagen en die deed hij onder zijn mouw boven aan de arm. Het duurde niet lang of de meester kwam weer naar hem toe en gaf hem weer een flinke stomp op zijn arm. Hij had zijn hand tot bloedens toe kapot geslagen op die scherpe klompenspijkertjes. De meester was kokend van kwaadheid en pakte de grote liniaal bij het bord en kwam weer naar Reinder toe. Die dook onder de bank. Je zat toen met zijn tweeën in een schoolbak naast elkaar, ik weet niet meer wie er toen naast hem zat, maar die bleef ook niet zitten. Ik zat naast Dinie van Asselt, die later met Arnold de Graaf getrouwd is en wij sprongen aan de kant. Een heleboel liepen er brullend uit de klas. De meester was helemaal over de toeren. Hij sloeg met de grote liniaal op zijn tafel en ging vreselijk tekeer. Reinder die ging weer gewoon in zijn bank zitten. Ik denk dat hij toen 13 of 14 jaar was. De les was toen echt klassikaal, iedereen was met hetzelfde bezig. Allemaal taal of allemaal rekenen. De één had het sneller af dan de andere. We hebben wel breiwerk meegenomen en gingen soms zitten breien. Dat deden we ook in het speelkwartier wel. En natuurlijk met handwerken. Dat gedoe dat was altijd met de jongens. Ik was net 13 jaar toen ik van school ging, maar ik was een jonge leerling. Sommigen waren toen al bijna 14 en wie een keer was blijven zitten was misschien wel bijna 15. Het waren de jaren net na de oorlog. Er waren toen 7 klassen, maar de 4e klas van mij was een jaar dat we niet of bijna niet naar school gingen in de oorlog. Toen stonden er barakken op het schoolplein en waren er evacuees in school, die bleven tot het einde van de oorlog.Meester Munster schreef ook in mijn poesiealbum. Hij had een gedicht gemaakt waarvan de regels begonnen met de letters van mijn naam en voornaam dus Johanna Wilbrink. Zulke grote verzen maakte hij. En het was ook iets wat inhoud had. Maar in de klas had hij het moeilijk met die grote jongens. Hij had misschien geen onderwijzer moeten worden.Bertus Reuvekamp
Kolff de pio-NIER(in juni 2017 verschenen in het tijdschrift actueel van de vereniging oud Apeldoorn) Ons lid Willy Rouwenhorst-Hartgers heeft via het dagboek van haar tante Trijntje het idee opgevat om een verhaal te schrijven over de oorspronkelijk uit Beekbergen afkomstige uitvinder van de kunstnier, Willem Kolff. Het is een boeiend verhaal geworden dat we graag publiceren in Oud Apeldoorn ActueelEnige tijd geleden stond er een artikel in de krant over de Nierstichting die wereldwijd een inzameling begint om een draagbare kunstnier te maken ter grootte van een schoenendoos. Een apparaat dat op elk nachtkastje past en makkelijk mee kan in auto of vliegtuig. De campagne loopt vooral via social media en wordt gevoerd in het Nederlands, Engels en Spaans. In mijn verhaal ‘Uit het dagboek van Trijntje’ in Oud Apeldoorn Actueel van februari 2012 is al te lezen over de ontdekker van de kunstnier, dokter Willem Kolff.Het pionierswerk van Kolff vindt zijn oorsprong in Beekbergen. Daar is de vader van Pim, zo is de bijnaam van de latere professor, directeur van het sanatorium aan de Loenenseweg. Het sanatorium is een kuuroord voor tbc-patiënten, waar ons redactielid Yvonne de Vries al eens over heeft geschreven.Vader Jacob Kolff, geboren in Middelharnis, wiens vader een vissersvloot had, wil arts worden en ontmoet tijdens zijn studie geneeskunde in Leiden de drie jaar jongere freule Adriana Pieternella de Jonge. Dochter van Willem Johan de Jonge uit Nijmegen, ontvanger rijksbelastingen, in de volksmond genoemd Willem de Gebruiker. Adriana’s moeder, Johanna Bybau, komt uit een adellijk geslacht op Noord Beveland. Na een verlovingstijd van 7 jaar trouwen Jacob en Adriana op 15 juni 1910. In de vroege ochtend van 14 februari 1911 wordt Willem Johan Kolff (Pim) geboren. Er moet brood op de plank komen en vader Jacob verruilt zijn assistentschap in Leiden voor een huisartsenpraktijk in Hummelo. Al snel wordt het gezin uitgebreid met de geboorte van Kees in 1912 en in 1914 wordt Jaap geboren. Links Pim met twee jongere broersBeekbergenAls Pim (Willem) zes jaar is, in 1916, verhuist het gezin naar Beekbergen en wordt vader directeur van het sanatorium. Hun woning staat op het sanatoriumterrein midden in de bossen. Pim droomt ervan directeur van een dierentuin te worden en begint alvast hokken te bouwen voor zijn kraaien, eksters, parkieten, sijsjes, putters, krielkippen en goudfazanten. In Beekbergen worden nog twee broers geboren, Therus in 1920 en Aad in 1924. vier generatie's Kolf, Pim is de jongsteDe familie heeft nauwe banden met notabelen in Beekbergen, zoals de familie Kaars Sijpesteijn, freule Hartsen, dokter Pont en de familie Schoggers, laatst genoemde logeerde regelmatig in het naastgelegen Rauwenhul.Directeur Kolff is een geliefd arts en wordt door patiënten en personeel op handen gedragen. Het is in die tijd heel gebruikelijk dat als zijn vrouw door het sanatorium loopt, het personeel even ophoudt met werken, gaat staan en na een knikje dan weer verder werkt. Zoon Pim blijkt dyslectisch maar dat interesseert hem niet, hij gaat wel naar het gymnasium. Hij verzorgt echter liever zijn beesten en is fanatiek houtbewerker. Hij krijgt zelfs elke zaterdag les van de dorpstimmerman Mooij, van zijn zevende tot zijn zeventiende jaar.Na schooltijd struint Pim urenlang over de uitgestrekte heidevelden rond Beekbergen, op zoek naar archeologische resten. Vader gaat vaak mee en ze praten over patiënten, nieuwe behandelwijzen en het verdriet en de wanhoop als er weer een patiënt een langzame dood is gestorven. Pim wordt steeds meer gegrepen door het vak. Omdat er op dat moment maar twee dierentuinen in Nederland zijn, besluit Pim toch maar zijn droom van dierentuindirecteur bij te stellen en arts te worden, ondanks dat hij niet tegen stervende mensen kan.Vol ideeënSamen met vader vindt hij trouwens bij Het Spelderholt resten van een urnenveld, de Heidemij is echter niet geïnteresseerd en ploegt de velden om. Pim zoekt veel scherven en bouwt zo een flinke collectie op. Hij vindt ook resten van houtgestookte hoogovens uit de tijd van rond 800, met daarbij een grote hoeveelheid ijzerhoudende stenen. In die tijd is de jonge Kolff al bezig met het uitdenken en in elkaar knutselen van hulpmiddelen. Zijn hoofd zit zo vol met ideeën dat hij aan tafel nauwelijks weet wat hij gegeten heeft. Moeder vraagt hem wel eens: “Pimmetje, weet je wel wat je hebt gegeten?”, waarop hij het antwoord schuldig moet blijven omdat hij voortdurend iets uit zit te denken.Huishoudster Trijntje Groot (tante van Willy Rouwenhorst, red.) heeft het hart niet iets weg te gooien of op te ruimen van al zijn briefjes en krabbeltjes die her en der door het huis verspreid liggen. Dat Pim een charmeur is heeft Trijntje ook ondervonden, maar ze weet hem handig te ontwijken. Op het gymnasium volgt hij bepaalde lessen in lokalen van de naastgelegen hbs. Tijdens een tennispartijtje wordt hij verliefd op de 14-jarige Janke Huidekoper. Zij is nog lang niet bezig met jongens maar Pim is een doorzetter en zoekt haar in de schoolpauzes op.Janke Cornelia Huidekoper, geboren op 5 november 1913 in Semarang op Java, is de dochter van Albert Jacob Huidekoper en Waldrine Marciana Krusemann. Opa Krusemann is succesvol zakenman en heeft een handelsmaatschappij op Java. Hij is afkomstig uit een Amsterdamse patriciërsfamilie. Jankes vader wordt uitgezonden naar Indië en werkt voor de handelsmaatschappij onder leiding van Krusemann. Hun handel is zeer winstgevend en ze bouwen een flink kapitaal op. Huidekoper (dan 45 jaar) keert terug naar Nederland, koopt in 1920 ongeveer 30 hectare land in Wiesel en zet een kippenboerderij op.Omdat huis en boerderij nog gebouwd moeten worden woont het gezin zolang in hotel De Keizerskroon. Ook Jacob Kolff is daar veelvuldig aanwezig voor het bijwonen van congressen en diners van medisch specialisten. Beide families verkeren steeds meer in koninklijke, adellijke en halfadellijke kringen. Als in 1927 huis en boerderij in Wiesel klaar zijn, let een loodgieter niet op bij zijn laatste werkzaamheden in de kelder. Het hele huis brandt af.Medische studiePim zal alle klassen op het gymnasium met de hakken over de sloot doorlopen. De keuze om zijn medische studie in Leiden te volgen ligt voor de had omdat zijn vader er ook studeerde. De studententoneelvereniging maakt dankbaar gebruik van Pims kennis in het timmervak als decorbouwer. Hij hergebruikt oude decors om er weer nieuwe van te maken. Janke gaat ook naar Leiden en zal daar een studie medisch analist volgen; ze gaat op kamers bij het gezin van professor Bok.De liefde begint in die tijd steeds meer te groeien en vader Kolff vindt dat het tijd wordt voor een verloving. De verlovingstijd zal vijf jaar duren. Ze trouwen op 4 september 1937 in Apeldoorn. Er wordt een groot en chic feest gegeven in hotel De Keizerskroon, geregeld door vader Huidekoper. Pim en Janke huren een klein appartement in Noordwijk aan Zee. Pim heeft dan nog een half jaar te gaan voor het afronden van zijn studie. Daarna solliciteert de jonge Kolff in Groningen en wordt aangenomen als assistent-internist. Hij zal drie jaar onbetaald stage moeten lopen. Het familiekapitaal van Janke biedt uitkomst door aandelen die ze heeft geërfd van oma Krusemann. Ze vinden een klein huurhuisje. Daar wordt op 23 augustus Jacob geboren, roepnaam Jaap. Als in 1940 Nederland wordt bezet, treedt er in het Groningse ziekenhuis een NSB-arts als hoofd van de kliniek aan. Kolff gruwt alleen al van het idee en zet er vaart achter zijn specialisatie af te ronden. met zijn vrouw JankeOp 18 november 1940 wordt dochter Adriana Pieternella geboren, roepnaam Adrie. Kolff vertrekt naar het Kamper ziekenhuis De Engelenburg. Het kleine stadsziekenhuis is in de oorlogsjaren een toevluchtsoord voor velen, als je niets hebt dan zorgt Kolff er wel voor dat je iets onder de leden krijgt. Zo weet hij vele Nederlanders uit handen van de nazi’s te houden. Omdat in bezettingstijd lang niet alles wordt geoorloofd doet hij veel behandelingen in de nachtelijke uren. Volgens aantekeningen van huishoudster Trijntje Groot zijn er op het sanatorium in Beekbergen ook regelmatig onderduikers uit Kampen. De moffen zijn als de dood voor tbc dus daar komen ze echt niet zoeken.KunstnierIn Kampen begint Kolff met het verder uitwerken van de kunstnier. Het steeds weer machteloos staan bij nierpatiënten kan hij niet langer aanzien en hij zet vaart achter zijn programma. Materialen zijn schaars, voor het prototype wordt aluminium van een neergeschoten Brits jachtvliegtuig gebruikt, een waterpomp uit een auto, cellofaan van een worstenmaker en het naaimachinemotortje van mevrouw Kolff. Pim wordt geassisteerd door de jonge assistent Jacobus van Noordwijk. Samen met diens vrouw Toos blijven ze levenslang vrienden en zoeken elkaar regelmatig op.Cellofaan heeft een filtrerende eigenschap en is daardoor uitermate geschikt. Samen met een Kamper emaillefabrikant maken ze buizen van cellofaan, die normaal voor worstfabricage worden gebruikt. En zo ontstaat in 1942 een redelijk bruikbare kunstnier. Een van zijn eerste patiënten is de Duitse Maria Schaftstadt. 1e kunstnierNiet lang daarna wordt op 12 juli 1943 zoon Gualtherus Constantinus Marius Kolff geboren, roepnaam Therus. Het kindje leeft maar één week. In november van datzelfde jaar komt het gezin Kolff naar Beekbergen om even op adem te komen. Huishoudster Trijntje maakt daar aantekeningen over in haar dagboek. Een klein jaar later, op 18 juni 1944, wordt zoon Albert Jacob Kolff geboren, roepnaam Albert.Na jaren experimenteren onder zeer ongunstige omstandigheden weet Kolff zijn werk tot een succes te maken en promoveert in 1946 cum laude.Kolff wil verder en heeft geen tijd om stil te staan. In zijn hoofd zitten nog zoveel ideeën en die wil hij zo snel mogelijk uitwerken. Nederland wordt hem te klein en het gezin emigreert naar Amerika. Hij zou in Nederland de kans misschien wel gehad hebben maar dan moest hij wel zo’n twintig jaar geduld hebben.Pim vraagt huishoudster Trijntje ook mee te emigreren maar dat kan ze niet opbrengen, de oorlog heeft te veel sporen bij haar achtergelaten. Trijntje kreeg net als de familie Kolff in 1948 een zwaar verlies te verwerken. Dokter en vader Jacob Kolff kwam op 4 oktober vrij plotseling te overlijden. Trijntje was ooit zorgzaam en liefdevol opgevangen door Jacob Kolff toen ze als tienermeisje vanuit het Noord-Hollandse Grootebroek als tbc-patiëntje naar Beekbergen kwam. Na vele jaren kuren en genezen verklaard kreeg ze het aanbod om bij het gezin Kolff in te trekken als huishoudster. De geborgenheid en de huiselijke sfeer omsloten haar als een warme deken.AmerikaIn 1950 begint Pim aan zijn Amerikaanse carrière als staflid van de researchafdeling van de Cleveland Clinic Foundation. Vele jaren later wordt hij in 1967 hoogleraar in de chirurgie in Salt Lake City. Hij wordt al die jaren door zijn patiënten op handen gedragen. In 1956 ontwikkelt hij de hartlongmachine en in het jaar daaropvolgend het kunsthart. Verder werkt hij met zijn team aan de kunstarm, de kunstlong, het kunstoor en het kunstoog.Pim zal maar liefs 13 eredoctoraten ontvangen, de laatste op 95-jarige leeftijd, en hij krijgt 127 internationale onderscheidingen. Kolff kan zich eigenlijk maar om één ding kwaad maken en dat is de nucleaire bewapening, dat druist lijnrecht in tegen zijn gevoel van zorg voor mensen. Het prijzengeld dat Pim verdient wordt meteen herinvesteerd in onderzoek. Zelf leeft hij van een bescheiden inkomen. De industrie verdient inmiddels miljarden aan geavanceerde dialyseapparaten, hartlongmachines en andere kunstorganen die Kolff ontwikkelde.De president van de universiteit in Utah zei ooit: “Mocht zijn tempo afnemen, dan vervangen we wat versleten is gewoon met wat hij zelf gemaakt heeft.” Hij wordt maar liefs vier keer genomineerd voor de Nobelprijs maar krijgt hem nooit. Willem Johan KolffKolff is nog regelmatig in Nederland, al is het maar om zijn moeder te bezoeken. Ze woont op het laatst in Hoenderloo. Mevrouw Kolff-De Jonge overlijdt op 12 februari 1981.Meestal doet hij Kampen ook wel aan bij zijn bezoeken; bij een van deze gelegenheden wordt hij gelauwerd met het ereburgerschap van Kampen. In 2005 wordt Kolff verkozen tot grootste Overijsselaar aller tijden. Een buitenkans die Gelderland/Apeldoorn heeft laten schieten. Weekblad Time vindt hem een van de honderd meest invloedrijke burgers uit de 20e eeuw. Tot op hoge leeftijd blijft Pim doorwerken, wat reden is voor Janke om in 1999 na 63 jaar huwelijk van hem te scheiden. Ze heeft geen geduld meer om te wachten wanneer hij een keer met pensioen zal gaan.BoekIn november 2003 verscheen het boek Dokter Kolff in hart en nieren, geschreven door de Kamper journalist Herman Broers. In dit boek wordt de levensgeschiedenis van Kolff uitvoerig beschreven. Doof en nagenoeg blind sleet Pim zijn laatste jaren in een appartement in Dunwoody Village. Om het leegstaande en door sloop bedreigde ziekenhuis De Engelenburg in Kampen te redden begon de burgemeester van Kampen, Henk Kleemans, een inzamelingsactie in Amerika. De kamer waar Kolff zijn uitvinding deed is nog steeds intact. Kleemans heeft twee miljoen euro bij elkaar weten te krijgen, genoeg om het monumentale ziekenhuis van de slopershamer te redden.Drie dagen voor zijn 98e verjaardag overleed Willem Johan Kolff op 11 februari 2009. Een zeer bevlogen man is toen heengegaan, een dokter die leefde voor zijn patiënten en aan wie inmiddels ruim twintig miljoen mensen hun leven te danken hebben.Datzelfde jaar vond er begin september een vijfdaags Willem Kolff-festival plaats in Kampen, met als bijzondere gast president Wahid uit Indonesië. De blinde Wahid oriënteert zich op kunstogen en is Kolffs partner in zijn onderzoek. Eerst was er op 31 augustus een internationaal Kolff-symposium in Groningen rond het thema ‘zestig jaar kunstorganen’. Een dag later vond er een herdenking plaats in de raadszaal van het gemeentehuis in Kampen waarna aansluitend, zoals Kolff wenste, zijn as werd uitgestrooid in de tuin van het voormalig stadsziekenhuis De Engelenburg.Yad VashemWillem en Janke zijn in 2013 door de Israëlische ambassadeur postuum onderscheiden met de Yad Vashem-medaille omdat ze in de Tweede Wereldoorlog de Joodse onderduiker Erik Meijler redden. Ze gaven de zesjarige onderdak in hun huis in Kampen en hij kon daarna terecht in het sanatorium in Beekbergen waar hij de oorlog overleefde. De medaille werd uitgereikt aan dochter Adrie en een van hun zonen.Dat de naam van Kolff niet vergeten wordt, blijkt uit een in het voorjaar van 2017 in de stadskazerne in Kampen gehouden expositie genaamd ‘De omwenteling die in Kampen begon’. Centraal stond de kunstnier en er waren materialen en spullen uit het archief van Kolff te zien.StraatnaamTot slot zal de naam van Willem Kolff in Beekbergen voortleven in de vorm van de Willem Kolffweg. In het nieuwbouwproject ‘De Ruiterij’ loopt de weg vanaf de Ruitersmolenweg in noordelijke richting tot de Stichtingsweg. Op 10 februari 2017, in een winters landschap en gure kou, verzamelden zich zo’n vijfentwintig belangstellenden voor de onthulling van het straatnaambord.Na een kort welkomstwoord van Joop van der Meer, voorzitter van de dorpsraad Beekbergen-Lieren en voorzitter van de werkgroep Oud Beekbergen-Lieren, onthulde een neef van dokter Kolff het straatnaambord. Verder was er nog een achterneef van Kolff aanwezig.Geschreven door: Willy Rouwenhorst-HartgersBronnen:Uit het dagboek van Trijntje.Het boek van Herman Broers, Dokter Kolff in hart en nieren.Krantenknipsels.Internet.Eigen onderzoek.
DE GASTHUISMOLEN IN LIEREN: VROEGER EEN 'DWANGMOLEN'Aan de Molenvaart in Lieren stond bijna zeven eeuwen geleden een korenmolen die de naam 'Gasthuismolen' droeg en het water betrok van de Beekbergerbeek. Verschillende branden trotseerde het bedrijfje. de laatste keer in 1907 , ging het grotendeels in vlammen op. In het gebouw dat daarna verrees aan de beek is nu de metaalwarenfabriek van de firma Goudkuil gevestigd. De geschiedenis van de molen gaat terug naar de dertiende eeuw. Reeds uit de rekening van de graaf van Gelre over 1294 en 1295 blijkt dat de molenaar jaarlijks een pacht van twee mud rogge moest opbrengen. Op 13 april 1364 ruilt graaf Eduard van Gelre met Jan de Cock van Opijnen het huis te Nijenbeek tegen een rente van 30 pond geld uit de Watermolen te Voshuizen in Beekbergen. Deze molen is op dat tijdstip in pacht bij Arnt van Ginkel (De naam Voshuizen kwam overigens al voor in een brief van 1609 en is behouden gebleven als naam van een weg in lieren). In een oorkonde van 28 juni 1381 komt de rente van 30 pond opnieuw naar voren, als Hertog Willem van Gulik en Cleve zijn watermolen in Beekbergen voor genoemde som in erfpacht geeft aan Jan Mompelier van Ovegage. Uit de omschrijving kan opgemaakt worden dat de molen een zogenaamde 'dwangmolen' was. De ingezetenen van Beekbergen waren verplicht - op straffe van een boete van vier pond - om er hun koren te laten malen. Er werd streng gelet op deze verplichting. Wie elders het koren liet malen liep grote kans gestraft te worden.SCHEIDINGOp 4 juli 1487 brengen Arnt van Oosterhuyzen, Herman van Beeckhuyzen , Willem te Beekchuyzen en Johan van Lieren (Veel mensen ontleenden in die tijd hun naam aan de buurtschap waar ze woonden) een scheiding van goederen tot stand tussen Jacob ten Have enerzijds en Albert en Arnt ten Have anderzijds. Jacob kreeg het erf Ten Have in de buurtschap Lieren toegewezen en Albert en Arnt de Watermolen te Lieren. Twaalf jaar later in 1499 komen Derk Robbertsz, Arnt te Oosterhuyzen , Willem Werners en Reynkens Rijckensz bijeen om wederom een scheiding tot stand te brengen tussen de gebroeders Jacob en Albert te Have en hun zuster Mechtelt, die gehuwd was met Johan van Heerde. Jacob behoud het erf, Albert verkrijgt de watermolen en het deel van wijlen Arnt ten Have is voor zijn broer Jacob en zijn zuster Mechtelt.Mechtelt zou nog lang bekend blijven als degene die de oude Lierense watermolen, een pachtgoed van de Gelderse graven en hertogen, verkocht aan het St. Petersgasthuis in Arnhem. Door deze verkoop kreeg de molen de naam 'Gasthuismolen'. Op 27 oktober 1533 gaf Willem van Scherpenzeel, stadhouder van de Veluwe, een oorkonde uit waarin werd bepaald dat Mechtelt ten Have, weduwe van Johan van Heerde, tezamen met haar zwager Rijck van Heerde en diens vrouw Jutte, verkocht hadden aan de provisor van het St. Petersgasthuis, de watermolen te Lieren.PAPIERMOLENHet huis naast de watermolen dat in 1521 door kerkmeester van Beekbergen Bartolt Camps en Ricquin Robertsz verkocht werd aan Tymnan Gayen, werd door dit echtpaar op 16 december 1534 eveneens verkocht aan de provisor van het St. Petersgasthuis. De verkoop van de waterradmolen werd door Karel, hertog van Gelre, op 7 januari 1535 bekrachtigt onder de bepaling dat niemand anders aan het zelfde water in dit kerspel een korenmolen mocht bouwen.In 1619 verzocht jonker Dirk van Essen tevergeefs een korenmolen op de 'Wenckemere weyer' de huidige Winkewijert in de Engelandermark, te mogen leggen. Wel mocht in 1623 de holtrichter van de Engelandermark, jonker Wijnolt van Salland, hier een papiermolen oprichten.Vele korenmolenaars en ook wel papiermakers hebben er nadien hun beroep uitgeoefend. Eeuwenlang maakten zij gebruik van het water uit de beek. Het gebouw dat dateert uit omstreeks 1900 , toen er opnieuw een korenmolen annex wasserij in was gevestigd, werd in 1948 opgeheven. In 1950 pachtte de familie Goudkuil het fabriekje in Lieren en vestigde er een metaalwarenbedrijf in. De eigenaresse heeft uit gevoel nog geprobeerd het aanwezige molenrad te laten gebruiken voor een trommel waarin ijzerwaren ontroest werden. Dit bleek echter niet mogelijk. Het metershoge rad was te zeer aan slijtage onderhevig, ondanks dat het met de betonnen goot veertig jaren geleden was vernieuwd.GESLOOPTAanvankelijk leverde het waterrad de energie voor de metaalwarenfabriek. Toen Goudkuil werd aangesloten op het lichtnet bepaalde de PGEM echter dat dat niet meer mocht. Daardoor werd het rad niet meer onderhouden. Nu is er van het bovenslagrad aan de noordzijde van het gebouw weinig meer te zien. Slechts een klein restant is nog over van het waterrad. Het metaalwerk in het gebouw is lang geleden gesloopt.De firma Goudkuil kon het bedrijfje kopen van het Gasthuis en vestigde er een florerend bedrijfje in. Het beekje dat ten westen van de weg Arnhem-Apeldoorn ontspringt loopt nog onvermoeid door de klatert van de molengoot langs het stilstaande water omlaag. het passeert de Tullekensmolen en de Ruitersmolen en voedt dan de Gasthuismolen en Kopermolen in Klarenbeek.Er is nu nog maar heel weinig dat herinnert aan de Gasthuismolen van weleer. Alleen het water is onveranderd, het is nog zeer helder en is een paradijs voor tal van waterdiertjes. Langs de beek groeien ook nog altijd zeldzame varens en de vijver (oud waterreservoir voor het bedrijf) is er nog als vroeger.
Pagina's (1): 1